Ontdek het landschap en de kastelen

Batenburg
Kasteelruïne, in bedrijf zijnde eendenkooi en uiterwaard, deel uitmakend van de voormalige heerlijkheid Batenburg.
Informatie over openingstijden, entreeprijzen, adres en route vindt u onder "Het kasteel".
Over de locatie | Geschiedenis
Een steen die voorheen boven de poort was ingemetseld vermeldde zelfs dat Batenburg in het jaar 327 na Chr. zou zijn gebouwd op de resten van een Romeinse tempel. De geschiedenis van Batenburg gaat in ieder geval terug tot het midden van de 12de eeuw, toen het in handen was van het geslacht Van Batenburg. Daarna volgden het geslacht Van Bronckhorst (1262) en de graven Van Horne (1630). Vanaf 1701 was Batenburg eigendom van de graven, later vorsten, Van Bentheim-Steinfurt, die na de Tweede Wereldoorlog door de Nederlandse Staat werden onteigend. De kasteelruïne en directe omgeving, met tijnshuisje, landarbeidershuisje en de noordelijker gelegen eendenkooi, werden in 1953 voor een symbolisch bedrag van de Staat verkregen. Aanvankelijk bestond Batenburg uit een vierkante tufstenen toren op een motte (kunstmatige heuvel). Deze toren is omstreeks het midden van de 12de eeuw gebouwd. Bij archeologisch onderzoek in 1989-1992 werd een kunstmatige heuvel aangetroffen, mogelijk de 12de-eeuwse motte, die op een bestaand rivierduin is aangelegd. Ook de centrale toren van ongeveer elf bij twaalf meter werd gelokaliseerd. Omstreeks 1350 werd rond de toren een ronde bakstenen verdedigingsmuur aangelegd met een doorsnede van 54 meter. Deze werd rond 1500 verwoest en na 1540 herbouwd. Daarbij is het muurwerk van de ronde burcht voorzien van banden van lichte mergelsteen die ook wel 'speklagen' worden genoemd. Gedurende de tweede helft van de 16de eeuw werden er drie uitspringende halfronde torens en een poortgebouw aan deze ringmuur toegevoegd. Deze torens waren nodig om de ronde burcht een goede flankbestrijking te bieden. Van de grootste van deze torens, de Bronckhorstertoren, staat nog een groot deel overeind. Vooral de kelder met schietgaten is goed bewaard gebleven. De burcht is steeds aan de eisen van de tijd aangepast. Zo verrezen er rond 1600 woonvertrekken op het zuidelijk gedeelte van het binnenterrein, in 1686 gevolgd door een grote, op comfort gerichte, woonvleugel aan de westzijde. Volgens een 18de-eeuwse omschrijving waren binnen de muren 'een ruime plaats, pragtige en luchtige vertrekken en groote overwelfde kelders'. Deze pracht ging verloren door de brand die Franse troepen in 1794 stichtten. Aanvankelijk hadden de vorsten van Bentheim-Steinfurt herbouwplannen, maar ze hebben die niet verwezenlijkt. De resterende muren en torens zijn gedurende de 19de eeuw steeds verder in verval geraakt, niet in het minst omdat de omwonenden de ruïne als steengroeve hebben gebruikt. In 1970 zijn enkele beschermende maatregelen getroffen, die op de lange duur echter ontoereikend waren om verder verval tegen te gaan. In 1988-1992 kon uiteindelijk consoliderend herstel worden uitgevoerd, dat nodig was voor de blijvende instandhouding van de ruïne. Daarbij is er naar gestreefd het romantische beeld van de ruïne, met de karakteristieke begroeiing, intact te laten.
Tegenover de ruïne van Batenburg liggen twee kleine, witgepleisterde huisjes. Het tijns- of barrièrehuisje van Batenburg (Molendijk 11) dateert uit de tweede helft van de 17de eeuw. Met zijn verdwenen tegenhanger sloot dit huisje de toegang tot kasteel Batenburg af door middel van een hek. De pijler die als steunbeer tegen de voorgevel lijkt te zijn geplaatst is in feite een van de twee hekpijlers. In de 19de eeuw werd het huisje uitgebreid tot zijn huidige vorm. Het naastgelegen landarbeidershuisje (Molendijk 9) stamt uit het midden van de 19de eeuw. Aanvankelijk was het huis L-vormig. De uitbouw aan de achterzijde bevatte een varkensstal.
In de tijd dat dijkdoorbraken nog regelmatig voorkwamen, was de bewoning in het rivierengebied geconcentreerd op de hogere plekken langs het water. Het is dan ook niet verwonderlijk dat kasteel Batenburg op zo'n hoge plek staat. Het was er droog en men kon vijanden die meestal over de rivier kwamen (het achterland was te zompig) goed in de gaten houden. Toen het rivierengebied geheel bedijkt was en men de techniek van het verstevigen van dijken voldoende beheerste om de rivier te beteugelen werd de Maas teruggedrongen tot een smal stroombed met een stroomgeul en uiterwaarden. De uiterwaarden, zoals de Liendense Waard, zijn voornamelijk geschikt als grasland, omdat ze periodiek onder water staan. Er werd in de uiterwaard ook klei gewonnen voor bijvoorbeeld bakstenen, omdat de rivier klei afzet als ze door de uiterwaarden stroomt. Op de laagste en natste plekken lagen de eendenkooien. De natte plekken waren vaak kwelplekken, die in de winter niet bevroren en daardoor eenden aantrokken. Ook lagen ze vaak ver van de bewoning, omdat rust een belangrijk element is in een eendenkooi. Zonder rust geen eenden.